Geschiedenis van de Russische kerkmuziek

De geschiedenis van de Russische kerkmuziek gaat meer dan 1000 jaar terug. Na de kerstening van Rusland in 988 laten vorst Vladimir en zijn echtgenote, de Griekse prinses Anna, een voltallig kerkelijke clerus uit Byzantium naar de hoofdstad Kiëv komen. Er bevinden zich onder hen ook Griekse zangers. De oorsprong van de Russische kerkzang ligt in de Griekse en Bulgaarse zang. Al vrij snel gaat hij zich echter zelfstandig ontwikkelen. Onder invloed van de reeds bestaande rijke zangcultuur ontstaan er niet alleen nieuwe zangwijzen maar ook een eigen muzieknotatie.

Znamenny

De oudste zangwijze, de zogenaamde znamenny-zang, is sterk verwant aan de Byzantijnse zang. Deze ontleent zijn benaming aan het woord znamja (letterlijk: teken, neum) waarmee bepaalde melodische formules worden genoteerd. Het systeem van melodieën bevat 8 tonen (voorbeeldreeksen) waarop de kerkelijke teksten worden gezongen en vormt als het ware een ‘zuil’, stolp geheten, die zich na elke 8 weken herhaalt.

In de periode van de 12e tot aan het einde van de 14e eeuw ondergaat de znamenny-zang nauwelijks wezenlijke veranderingen, noch in het karakter van de melodieën noch in de notatie. Hierin komt verandering als er verschillende zangscholen ontstaan en vele zangmeesters nieuwe teksten op muziek gaan zetten. De znamenny-melodieën worden aanzienlijk ingekort en er ontstaan nieuwe varianten zoals de kleine-znamenny-, de Kiëvse-, Griekse- en Bulgaarse zangwijze.

Tussen de 15e en 17e eeuw ontwikkelt zich de vroeg-Russische meerstemmigheid, ook wel strotsjnoje penije genoemd (het zingen volgens regels, omdat de neumen in 3 rijen boven de tekst worden geschreven). De meest gangbare vorm is een driestemmig gezang, waarin elke stem een zelfstandige melodische functie heeft. De belangrijkste stem, die de znamenny-melodie zingt, bevindt zich in het midden en heet poetj (weg), de stem erboven heet verch (top) en de onderste stem niz (bodem). Deze muziek is sterk beïnvloed door Russische volksmelodieën, waarin 2 of 3 stemmen parallel naast elkaar bewegen, nu eens als kantwerk door elkaar heen vlechtend en dissonanten teweegbrengend, dan weer overgaand in unisono. Bijzondere bekendheid genieten de zangscholen en koren van Moskou, Novgorod en Vladimir. Onder de zangmeesters/schrijvers zijn bekende namen als Bezborodyj, Krestianin, Loekosjko, Savva en Vasili Rogov alsmede Sjaidoerov.

Westerse invloeden

De 17e eeuw is een tijd van grote veranderingen in de geschiedenis van de Russische muziek. Russische muzikanten maken kennis met de West-Europese muziekcultuur, met haar theorie en praktijk. De situatie die in Rusland in de 2e helft van de 17e eeuw ontstaat is te vergelijken met die van de 11e eeuw. Zoals in de tijd van het Kiëvse rijk de heidense en de Byzantijnse culturen tegenover elkaar komen te staan, komt de Russische middeleeuwse cultuur nu in botsing met de West-Europese. Het oude en het nieuwe blijft echter steeds naast elkaar voortbestaan. Langzaam maar zeker raakt de znamenny-zang op de achtergrond door westerse invloeden die vanuit Polen via West-Oekraïne het Moskouse rijk binnendringen. De muziek die nu de overhand krijgt, is gebaseerd op geheel andere muzikale principes.

Russische barok

Na de Unie met de katholieke kerk in 1596 komt Oekraïne onder politieke en culturele overheersing van Polen te staan. Als offensief tegen het orgel van de katholieken zetten de Russische en Oekraïnse zangmeesters in deze gebieden hun eigen wapen in, namelijk de orgel-gelijkende partès-zang (het zingen volgens partijen). Hiermee wordt de periode van de Russische barok ingeluid.
Zowel de oude muzieknotatie van de znamenny-zang als zijn strenge, lineaire, evenwichtige en gebedsvolle karakter, wordt vervangen door een nieuwe, westerse vijflijnen notatie waarin het harmonische ‘verticale’ karakter en concertstijl gaan overheersen. Er verschijnen allerlei theoretische tractaten, zoals de ‘Muzikale grammatica’ van Nikolaj Diletski. Hierin wordt een nieuwe stijl voor het componeren van kerkelijke gezangen voorgeschreven. De kerkmuziek verwereldlijkt steeds meer en nieuwe, voor Rusland vreemde elementen worden ingevoerd. De hoogste bloei van de partès-stijl wordt bereikt in plechtige, feestelijke, vol van dynamische contrasten, soms wel twaalfstemmige concerten. De melodie in deze concerten is al geheel vrij van de znamenny-melodie, en de klank is gebaseerd op uiterlijke effecten. Karakteristiek voor deze nieuwe muziek is de vocale virtuositeit die nodig is voor het uitvoeren ervan. Deze nieuwe zangtechniek is een goede leerschool die de Russische en Oekraïnse meesters voorbereidt op de kunst van het belcanto. Deze muziek opent de weg voor wereldse genres als opera en instrumentale muziek. Bekende componisten van die tijd zijn de opvolgers van Diletski, zoals Bavikin, Kalasjnikov en Titov.

In de 18e eeuw worden de Pools-Oekraïnse invloeden vervangen door Italiaanse. Aan het hof van de tsaar in Sint-Petersburg worden de beste Europese kunstenaars uitgenodigd, onder wie bekende Italiaanse muzikanten, pedagogen en componisten. Zij krijgen de opdracht zowel wereldlijke- als kerkmuziek te schrijven. De bekendste onder hen, zoals Galuppi en Sarti, componeren muziek voor talloze kerkelijke teksten waarvoor zij dezelfde wetten hanteren als voor wereldlijke muziek. Hun leerlingen zijn Davidov, Degtjarjov en Vedel. Andere belangrijke componisten die zich onder de Italiaanse invloed bevinden zijn Berezovski en Bortnjanski.

Terugkeer naar de eigen tradities

In de 19e eeuw wordt de kloof tussen de oude kerkzang en een meer verwereldlijkte kerkmuziek steeds groter. Aan de andere kant wordt men zich ook steeds meer bewust van de noodzaak terug te keren naar de eigen wortels, naar oorspronkelijke melodieën zoals de znamenny-zang. Componisten van het ‘Machtige Hoopje’, zoals Glinka, Odojevski en Razoemovski, proberen in hun composities aan dit verlangen gehoor te geven. Ook Tsjaikovski werkt in deze richting en schrijft 2 cycli: de Liturgie en de Vespers, en vele andere geestelijke werken. Zo ontstaat er een nieuwe richting in de geestelijke muziek, die de Moskouse School wordt genoemd. Componisten als Gretsjaninov, Kalinnikov, Kastalski, Smolenski en Tsjesnokov bewerken de oude znamenny-melodieën op een originele, niet aan de westerse harmonieleer gebonden manier. Het hoogtepunt in de ontwikkeling van de harmonisatie van oude gezangen vormt wellicht de Vespers van Rachmaninov. Dit proces wordt onderbroken door de revolutie van 1917.

Sinds de viering van 1000 jaar christendom in Rusland, in 1988, komt er een einde aan de vervolgingen en gaat men zich actief bezighouden met de restauratie van de oude kerkmuziek. Rusland herontdekt zijn eigen kerkelijke traditie die al snel ook in het westen erkenning en waardering verwerft.

Kerkslavisch

De liturgische taal van de Oosters-orthodoxe Russen en Oekraïners, Serven en Bulgaren is het kerkslavisch. Het is gebaseerd op een oud Zuidslavisch (Macedonisch-Bulgaars) dialect, maar vertoont nationale afwijkingen bij elk van deze volkeren. De in Rusland ontstane teksten (sinds de 11e eeuw) vertonen afwijkingen die de taal tot Russisch-kerkslavisch stempelen, de Servische variant noemt men Servisch-kerkslavisch, de Bulgaarse Middelbulgaars.
Het kerkslavisch gold als algemene schrijftaal en maakte pas in de 18e, deels 19e eeuw plaats voor de respectieve nationale spreektalen. Het moderne Russisch bevat evenwel nog vele kerkslavische elementen.

© Jevgeni Tugarinov