K A M E R K O O R    O K T O I C H
Volg ons op Facebook

Volg ons op YouTube

"Muziek als venster op de Goddelijke wereld, die eeuwig is" (J. Tavener)

Ter nagedachtenis van vader Sergei Ovsiannikov (1952 - 2018)


   Op zondag 13 januari j.l. vond in de Russisch-Orthodoxe kerk van de Heilige Nikolaas van Myra te Amsterdam een bijzonder concert plaats, opgedragen aan vader Sergei (Sergei Aleksejevitsj Ovsiannikov), de rector en aartspriester van deze kerk die in januari vorig jaar plotseling overleed. Het Amsterdamse kamerkoor Oktoich o.l.v. Aliona Ovsiannikova en de vooraanstaande Estse cellist Allar Kaasik namen deel aan het concert.

   Een van de lastigste opgaven voor elk concert is een gedegen samenstelling van het programma, of het nu om seculiere, kerkelijke, symfonische dan wel kamermuziek gaat. In dit geval was de verantwoordelijkheid dubbel zo zwaar: het was niet zomaar een concert maar een in memoriam. De uitvoerenden hadden de rector goed gekend, zodat dat de sfeer emotioneel geladen was, wat altijd op de luisteraars overslaat. En als die luisteraars ook nog de parochianen zijn, worden ze verenigd door gedachte, klank, herinneringen, – een van de zeldzame momenten waarop de mens zichzelf en de Waarheid vindt.

   Wat mij betreft was de samenstelling van het programma zeer geslaagd. Er hebben zelden uitgevoerde spirituele composities voor cello en gemengd koor door diverse hedendaagse componisten geklonken, met zorg gekozen door Aliona Ovsiannikova. Zij is niet alleen de dirigent en oprichtster van het koor maar ook de levensgezellin, geestverwant en echtgenote van vader Sergei. Het Kamerkoor Oktoich werd drieëntwintig jaar geleden dankzij zijn initiatief in het leven geroepen.

   Aliona Ovsiannikova koos onder meer vertegenwoordigers van de hedendaagse sacrale muziek, wier stijl als ‘sacraal minimalisme’ of ‘de nieuwe consonantenschool’ kan worden getypeerd. Zij worden niet alleen door dezelfde stijl maar ook door een gedeeld wereldbeeld verbonden.

   Het openingsstuk was ‘Heilige liefde’ voor sopraan en kamerkoor van Georgi Sviridov (1915-1998), een compositie op een tekst uit A. K. Tolstoj’s toneelstuk ‘Fjodor Ioannovitsj’. Sviridov, een bekende Russische componist en leerling van Dmitri Sjostakovitsj, was naast poëziekenner ook een verdienstelijk dichter. In zijn oeuvre staat vocale muziek centraal. ‘Mijn muziek gaat uit van het levende woord’, schreef de componist. Ingenieus en beheerst verweeft hij de klank en de inhoud van de tekst met de tekstuur van het koor, met vakkundig gebruik van tonale en intonerende elementen van de Znamenny-zang. Zijn muzikale taal is laconiek. ‘Weinig noten, veel muziek’, zei Sjostakovitsj over zijn werk.

   De filosofische gedachte achter de ‘Heilige liefde’ is die van de liefde als redding. ‘Maar wie zijn broeder haat, is in de duisternis’, aldus een evangelische tekst.

   De partituur dateert uit 1973, maar de stijl neigt naar de hedendaagse muziek dankzij de compositorische structuur en de harmonische setting. Volgens de intentie van de componist moet het koor geconcentreerd en ingetogen zingen, in dit geval doet zijn rol aan die van het koor in Griekse tragedies denken, daar de tekst volledig in de solopartij is opgenomen.

   Het publiek kon niet anders dan zwichten voor de gemoedelijke en toch doordringende en haast onaardste stem van soliste Reina van Zwieten, die de betoverende woorden ‘Gij heilige liefde, vanouds verguisd, met bloed overgoten’ zong, om iedereen de sacrale ruimte van de koorbegeleiding binnen te voeren. ‘Dit moet als een stem uit de hemel klinken’, lezen we in de memoires van Sviridov. De componist vestigt de aandacht op de klankkleur van de solo en bereikt een indrukwekkende culminatie middels het koor, die de solist als het ware verdrijft, de muzieklijn verder ontwikkelt en het hoogtepunt bereikt. Juist uit het contrast in timbre en dynamiek is de dramaturgie van het stuk opgebouwd. De filosofische diepte, duidelijk overgebracht door de soliste, wordt nog rijker door de spirituele lading van het koor. Het klonk buitengewoon ontroerend. Niet alleen leken de zangers de muzikale intentie van de componist in alle oprechtheid te hebben doorgrond, ze gaven de essentie van de onvoorwaardelijke, eeuwige en heilige Liefde gestalte.

   Sviridov liet veel overpeinzingen over kunst en muziek na, bijvoorbeeld: ‘Mijn muziek is een soort kleine waskaars van levend vlees, brandend in het bodemloze purgatorium’.

   Muziek brengt de mensen ontegenzeggelijk bij elkaar. Dit werd opnieuw bewezen door de zeer boeiende composities van twee Estse auteurs, Johannes Bleive (1909-1991) en Kuldar Sink (1942-1995). Cellist Allar Kaasik, ook Ests van geboorte, introduceerde deze nieuwe namen en de ontstaansgeschiedenis van de stukken door middel van enkele wetenswaardigheden. Zo hoorden we dat Johannes Bleive zoon was van een orthodox priester en martelaar Michael Bleive, die samen met de eerste Russisch-orthodoxe bisschop van Estland, Platon (1869-1919) werd geëxecuteerd. Kaasik maakte een bewerking van zijn ‘Cherubijnenhymne’ voor cello en twee koren, zodat een nieuwe klankkleur aan het stuk werd toegevoegd.

   In deze nieuwe versie begint de ‘Cherubijnenhymne’ met een cellosolo. Kaasik spon delicaat de bekoorlijke melodie van een ademende kosmos om het koor sereen door de labyrinten van een Znamenny-polyfonie te begeleiden. De hele ruimte vulde zich met klank. De zuivere zang vond herhaaldelijk zijn weerklank in de expressieve cellopassages. Op een zeker moment ontstond er een mystieke sensatie van verbondenheid tussen tijdperken, ruimtes, mensen... Er liep een milde rilling door je ziel bij het besef dat juist hier vader Sergei ruim vijfentwintig jaar diende, dag in dag uit honderden mensen de weg naar God hielp vinden, de geheimen van het orthodoxe geloof toegankelijk maakte, zijn wijsheid met hen deelde, bijstand bood bij allerlei levensvragen.

   De andere Estse componist, Kuldar Sink, was een goede vriend van Kaasik, aan wie hij meerdere composities heeft opgedragen. De twee waren jarenlang bevriend en werkten nauw samen. Kuldar Sink was een tragisch lot beschoren. Een brand die in zijn huis uitbrak verwoestte het merendeel van zijn partituren en kostte de componist zelf het leven. Sink, afgestudeerd in St-Petersburg, gold als een van de meest getalenteerde Estse componisten. Zijn muziek is origineel en wisselend van stijl omdat hij vaak van compositietechnieken veranderde. Te midden van diverse stromingen die zijn tijd rijk was zocht hij voortdurend naar nieuwe wegen en een eigen identiteit. In een later stadium vereenvoudigde hij zijn muzikale taal en wendde zich tot de liturgische thematiek. Juist deze stukken klinken vandaag als profetieën, er staat ze ongetwijfeld een mooie toekomst in de uitvoeringspraktijk te wachten.

   ‘Gospodi, pomiluj nas’ (‘Heer ontferm U’) voor cello solo is een onvoltooide compositie, een van zijn laatste, die is opgedragen aan Allar Kaasik. Na de dood van zijn vriend heeft de cellist het stuk afgemaakt en geredigeerd. Volgens hem liet Sink dit na als een testament waarin zijn zoektocht naar waarheid en zijn levensdoelen hun weerslag vinden. De componist lijkt het verhaal van de verloren zoon te vertellen, verklankt een terugkeer naar God. De aanwezigheid van het Goddelijke manifesteert zich reeds in de titel. De vorm van het stuk, de ontwikkeling en de impact op de luisteraar doen denken aan het uitvoeren van een hesychastisch gebed.

   De solo was een grote verrassing voor het publiek. Al luisterend naar de virtuoze, fijngevoelige, zangerige cellopassages kon iedereen wegdromen en denken aan een eigen ‘terugkeer’ naar iets dierbaars, iets wat men ooit achteloos was ontvlucht en wat toch het kostbaarst bleek, iets waarnaar je ooit terug wilt keren. Maar eerst moet het besef komen... Zoals Sviridov, ook afgestudeerd aan het St-Peterburgse conservatorium, schreef: ‘De plicht van een kunstenaar is zo goed hij kan bijdragen aan de openbaring van de universele Waarheid. Deze Waarheid kan in de muziek besloten liggen.'

   De laatste twee stukken waren van de Britse componist Sir John Tavener (1944- 2013), een man van diep religieuze overtuiging, wat ook aan zijn oeuvre is te merken. Gedurende zijn hele leven wilde hij het sacrale in de muziek bereiken. Hij zocht ernaar sinds 1977 en ontving zijn orthodoxe doop van Metropoliet Antony Bloom. Formeel was Tavener geen religieus componist, hoewel hij zijn leven lang nauwkeurig de traditionele religieuze kunst en de kanons van het orthodoxe geloof bestudeerde en heilige teksten toonzette. Er zijn niet veel componisten, op Arvo Pärt na, die zich zo verdiept hebben in de godsdienst, in het bijzonder in het orthodoxe geloof, dat als uitgangspunt voor veel van Taveners composities dient.

   De twee stukken die ter nagedachtenis van vader Sergei werden uitgevoerd hebben als thema het mysterie van de dood en de eeuwigheid.

   Bij ‘Funeral Ikos’ voor a capella koor (1981) koos Tavener een bijzondere poëtische tekst uit de orthodoxe liturgie. Deze wordt uitsluitend bij de begrafenis van een geestelijke gezongen, het is alsof de tekst gesproken wordt door de overledene zelf. Hij overpeinst zijn leven, zijn aardse verrichtingen, voert een gesprek met zijn vrienden. Het terugkerende Alleluja van het koor is betoverend. De laatste strofe klinkt aldus: ‘We staan in vuur en vlam als we vernemen dat er eeuwig licht is, dat er Paradijs is waarin elke ziel verenigd wordt met de rechtvaardigen. Laten ook wij één worden met Christus en met luider stem roepen: Alleluja!’

   Al vanaf de eerste maten van ‘Funeral Ikos’ was de grote invloed van oud-Russische kerkzang hoorbaar. De langs de gehele lijn spiegelende melodie, de unisono’s, het gescheiden koor dat speciale klankeffecten in de ruimte creëert, de diverse terugkerende muzikale elementen, de sobere harmonie, de klank die zich naar de tekst schikt – alle onderdelen tonen aan dat in Tavener’s composities de tekst, de klank en de gedachte slechts één doel nastreven: een geheel scheppen waarin Gods gelaat wordt weerkaatst.

   Cellist Allar Kaasik kende vader Sergei persoonlijk. Zij waren bevriend en hadden dezelfde opvattingen over muziek en kunst. Kort voor zijn overlijden vroeg vader Sergei Allar om ‘Svyati’ van J. Tavener te spelen wanneer het onvermijdelijke zou gebeuren. De maestro is speciaal naar Amsterdam gekomen om de laatste wens van vader Sergei te vervullen.

   ‘Svyati’ (1995) voor cello en koor is een mystieke, rituele reis naar het hiernamaals. De eerste celloklanken leiden de luisteraar een andere wereld binnen. Ook in dit stuk is de invloed van de oud-Russische kerkzang onmiskenbaar. De melodie van cellopartij is soepel, divers van toonkleur, heeft iets Orientaals. In de aantekeningen bij de partituur benadrukte de componist dat de cellist ofwel een geestelijke ofwel een ikoon van Christus vertegenwoordigt. Het cellospel wordt afgewisseld met de woorden ‘Heilige God, Heilige Sterke, Heilige Onsterfelijke, Ontferm U over ons’, gezongen door het koor. In de orthodoxe kanons klinken deze regels als het lichaam van een overledene uit de kerk naar het graf wordt gedragen, als uitgeleide op zijn allerlaatste aardse weg. De aanhoudende akkoorden, de unisono noten in de koorpartijen doen denken aan een ison, een bekend fenomeen binnen de Byzantijnse muzikale traditie.

   Het koor klonk schitterend. Het gevoel dat zich van het publiek meester maakte is moeilijk te verwoorden. Een deel van het publiek was in tranen. Niet voor niets had Tavener gezegd: ‘Muziek is een venster op de Goddelijke wereld, die eeuwig is’. Dat geldt zeker voor zijn eigen muziek. De uitvoering van ‘Svjaty’ liet niemand onberoerd. De schoonheid van het stuk, de spiritualiteit waar ieder mens onbewust naar verlangt, het sacrale dat zich aan het oog onttrekt en alleen voor een rein en sensitief hart voelbaar is.

   Als vader Sergei die dag op de eerste rij had gezeten dan zou hij zich oprecht verheugd hebben. Tien jaar geleden zei hij over dit stuk: ‘Waarom moeten we toch deze schoonheid (want dit stuk ontroert je tot tranen toe) aan seculiere koren overlaten? Waarom voeren we deze stukken niet uit? Zo veel mensen voelen zich aangetrokken door de schoonheid van de Russische kerkmuziek!’ En nu is zijn droom in vervulling gegaan, en wel onder de koepel van de Russisch-Orthodoxe kerk van de Heilige Nikolaas te Amsterdam.

Jolanthe Muliar
Amsterdam, 19-01-2019
vertaald uit het Russisch door Nina Targan Mouravi